Datum 1-1-2026
Regelgeving
Regel 4 van de Gedragsregels bepaalt dat de mediator zich onafhankelijk opstelt en, als hij dat niet (meer) kan, de opdracht niet aanneemt of zich terugtrekt.
Best practice
De onafhankelijkheid van de mediator betekent dat hij geen belang heeft dat zijn onafhankelijkheid kan aantasten. Dit belang zou erin kunnen bestaan dat de mediator buiten de mediation met een van de partijen te maken heeft. Dat kan in de privésfeer zijn, maar ook zakelijk. Bijvoorbeeld als de mediator in hetzelfde bestuur zit van een vereniging als één van de partijen of kantoorgenoot is van een adviseur of advocaat van één van de partijen.
Ook het feit dat de mediator regelmatig mediations begeleidt of opleidingen verzorgt voor één van de partijen, kan vragen oproepen over zijn onafhankelijkheid. Ook de schijn van afhankelijkheid kan de mediator tuchtrechtelijk in de gevarenzone brengen. In al die gevallen dient de mediator zich allereerst zelf af te vragen of hij vrijstaat, en vervolgens dient hij transparant te zijn over zijn relatie met de desbetreffende partij. Hij dient partijen in voorkomend geval te vragen of zij er bezwaar tegen hebben dat hij de mediation oppakt (of voortzet).
De onafhankelijkheid van de mediator brengt ook met zich mee dat hij geen belang heeft bij de uitkomst van de mediation. Om die reden kan de hoogte van zijn honorarium niet afhankelijk zijn van de mogelijk te bereiken oplossing (zie ook Best practice Tariefstelling en bijkomende kosten mediation).
In principe zou een zogeheten interne mediator – iemand die in dienst is van de organisatie die zelf partij is bij de mediation, bijvoorbeeld met een (andere) werknemer van die organisatie – niet kunnen optreden in zo’n mediation. Toch is dit door MfN gefaciliteerd. De desbetreffende organisatie dient met zo’n interne mediator een professioneel statuut overeen te komen volgens het door de MfN voorgeschreven model (zie besloten gedeelte website MfN). Hetzelfde geldt voor mediators in dienst van een vakbond of rechtsbijstandsverzekeraar.
Uitspraken tuchtrechter
Zaak M-2024-4
De mediator hield samen met andere beroepsbeoefenaren kantoor in hetzelfde verzamelkantoorgebouw als één van de partijen. Hij had zelf geen banden met die partij. Maar de mediator was voor de zekerheid voorafgaande aan de mediation nagegaan of een van zijn kantoorgenoten mogelijk relationele banden had met één van de huurders in het gebouw. Zij was tot de conclusie gekomen dat dit niet zo was. De mediator had hierover verder geen mededelingen gedaan aan de partij met wie die medehuurder een geschil had. De Tuchtcommissie overwoog toch dat hier sprake was van schijn van afhankelijkheid. Gezien de uitspraak van de Tuchtcommissie is het in voorkomend geval verstandig om over zo’n situatie voorafgaande aan de start van de mediation een mededeling aan partijen te doen.
Zaak M 2024-6
De mediator is in dienst van de rechtsbijstandsverzekeraar van één van de partijen. Dat is op zich geen probleem, hoewel de Tuchtcommissie uitdrukkelijk overwoog dat de partijen in een concrete zaak moeten instemmen met een interne mediator.
