Datum 1-1-2026
Regelgeving
Regel 9.2 van de Gedragsregels bepaalt dat de mediator verplicht is partijen te wijzen op de mogelijkheid van een mediationtoevoeging.
Best practice
Het is van groot belang dat mediators zorgvuldig en professioneel omgaan met mediationtoevoegingen en dat partijen die eventueel in aanmerking komen voor een mediationtoevoeging hierop worden gewezen. De verplichting om partijen op de mogelijkheid van gefinancierde rechtshulp te wijzen kan alleen achterwege blijven als de mediator goede gronden heeft om aan te nemen dat een partij niet in aanmerking komt voor een mediationtoevoeging. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de aard van het geschil niet voldoet aan de inhoudelijke eisen van de Raad voor Rechtsbijstand of wanneer de draagkracht van partijen hoger is dan de inkomenseisen van de Raad voor Rechtsbijstand (zie rvr.org).
Mediators die niet zijn ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand verwijzen partijen die in aanmerking komen voor een mediationtoevoeging in beginsel door naar een mediator die wel is ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Dit is alleen anders als partijen die in aanmerking komen voor een mediationtoevoeging er nadrukkelijk voor kiezen daar geen gebruik van te willen maken. In die gevallen legt de mediator dat schriftelijk vast.
De mediator mag – buiten de eigen bijdrage – in geen geval kosten in rekening brengen bij de partij die op toevoegingsbasis aan de mediation deelneemt. Het in rekening brengen van kosten aan die partij is in strijd met de bepalingen in de Wet op de rechtsbijstand (artikel 33e lid 3 en 38 lid 1) en met artikel 2 sub b van de ‘Inschrijvingsvoorwaarden mediators’ van de Raad voor Rechtsbijstand. Dit laat onverlet dat de mediator voor zijn werkzaamheden op toevoegingsbasis een vergoeding van de Raad voor Rechtsbijstand ontvangt.
Om de kwaliteit van de mediators die op toevoegingsbasis werken te borgen, hebben de Raad voor Rechtsbijstand en de MfN een informatieprotocol afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt over het uitwisselen van informatie die van belang kan zijn voor de inschrijving bij de Raad voor Rechtsbijstand dan wel de registratie in het MfN-register.
Uitspraken tuchtrechter
Zaak M-2018-5
De Tuchtcommissie overweegt in deze zaak: ‘De mediator heeft erkend dat hij tijdens het kennismakingsgesprek de mogelijkheid van een toevoeging niet met partijen heeft besproken. Hiermee heeft hij gehandeld in strijd met artikel 9.2 van de Gedragsregels, waarin staat dat de mediator verplicht is partijen te wijzen op de mogelijkheid van een mediationtoevoeging, tenzij hij goede gronden heeft om aan te nemen dat partijen voor deze toevoeging niet in aanmerking komen. Deze gronden waren naar het oordeel van de Tuchtcommissie niet aanwezig. De mediator heeft weliswaar verklaard dat hij het vermoeden had dat er geen sprake was van een recht op toevoeging omdat er mogelijk vermogen aanwezig was in de vorm van de echtelijke woning, maar enige navraag hierover zou hebben opgeleverd dat op deze woning een hoge hypotheek rustte. Ook de hoogte van het inkomen van klager was geen reden om de mogelijkheid van de mediationtoevoeging niet ter sprake te brengen.’
