Nieuwe jurisprudentie over de bedenktermijn

Als onderdeel van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) is per 1 juli 2015 de wettelijke bedenktermijn bij vaststellingsovereenkomsten in werking getreden. Een werknemer heeft met een beroep op de bedenktermijn het recht om binnen 14 dagen, zonder opgave van redenen, alsnog op de vaststellingsovereenkomst terug te komen. Er zijn inmiddels enkele rechtszaken gevoerd over de vraag wanneer  de termijn exact aanvangt.  De wet geeft aan dat de termijn gaan lopen ‘vanaf de datum waarop de overeenkomst ‘tot stand is gekomen’.

De wet schrijft echter tevens voor dat een vaststellingsovereenkomst schriftelijk moet worden aangegaan. Dit zorgt in de praktijk voor discussie, omdat het regelmatig voorkomt dat reeds per e-mail overeenstemming is bereikt over een beëindiging, terwijl dan nog geen sprake is van een ondertekende vaststellingsovereenkomst.

In februari 2015 overwoog de kantonrechter Rotterdam namelijk dat de rechtszekerheid meebrengt dat zowel werknemer als werkgevergebaat zijn bij een duidelijk aantoonbaar en concreet moment waarop de bedenktermijn aanvangt. De rechter oordeelde in die zaak dat de bedenktermijn pas ging lopen vanaf het moment waarop daadwerkelijk ondertekening van de vaststellingsovereenkomst plaatsvond.  De gemachtigde van de werknemer was op een datum vóór ondertekening van de vaststellingsovereenkomst via de e-mail akkoord gegaan met de volledige inhoud van de overeenkomst. Daarmee begon de bedenktermijn dus nog niet te lopen, aldus de kantonrechter.

Op 1 juni 2016 kwam de Kantonrechter Leiden echter tot een geheel andere conclusie (zaaknummer 4933980 \ CV EXPL 16-1950, maar deze uitspraak is niet op rechtspraak.nl gepubliceerd) De kantonrechter Leiden kwam tot een iets meer pragmatische benadering en overwoog dat het schriftelijkheidsvereiste in het kader van de bedenktermijn niet zó ver gaat dat de bedenktermijn pas start als beide partijen de vaststellingsovereenkomst hebben ondertekend. In die zaak was er over de voorwaarden  waaronder de beëindiging van het dienstverband zou moeten plaatsvinden onderhandeld en per e-mail was vastgesteld dat overeenstemming was bereikt. De kantonrechter oordeelde dat op dat moment voor de werknemer duidelijk was welke afspraken waren gemaakt, waardoor de werknemer op dat moment ook de consequenties van de beëindiging kon overzien. Uit bestaande jurisprudentie blijkt dat in diezelfde lijn wordt geoordeeld met betrekking tot aanzeggen en ontslaan via een WhatsApp-berichtje: ook dan is aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan.

Er zijn nu dus in ieder geval twee zaken waarin is geoordeeld over het moment van ingaan van de bedenktermijn. In beide zaken zijn de rechters tot een totaal andere uitkomst gekomen. Volgende de ‘Leidse leer’ gaat de bedenktermijn dus al van start op de datum van het bereiken van overeenstemming over de beëindigingsvoorwaarden. Dit kan dus ook een bevestiging zijn per e-mail tussen de gemachtigden van de werkgever en werknemer. De (hogere) rechtspraak zal de komende periode hopelijk meer duidelijkheid verschaffen over de inwerkingtreding van de bedenktermijn. Het meest veilig en zeker is op dit moment wel om de vaststellingsovereenkomst zo spoedig mogelijk te ondertekenen, want daarmee treedt de bedenktermijn in ieder geval in werking.

 

Bron: nieuwsbrief  DVDW advocaten 28/06/16

 

 

Een moment geduld alstublieft, het zoeken kan enige tijd duren.